Spreekwoorden met kip

Allemaal spreekwoorden waar de kip centraal in staat.

 

  • Een lekker kippie. - Een aantrekkelijke vrouw of aantrekkelijk meisje.
  • Er als de kippen bij zijn. - Er snel bij zijn om ergens een voordeel uit te behalen.
  • Met de kippen op stok gaan. - Vroeg gaan slapen.
  • Kippenborst. - Een borst waarvan het borstbeen sterk naar voren steekt; ook: spotnaam voor een nauwelijks gespierde borstkas.
  • Kippenvel. - Huid waarbij de haren door de kou overeind staan, zodat de huid eruit ziet als die van een pas geplukte kip.
  • Praten als een kip zonder kop. - Veel praten, maar weinig zinvols vertellen.
  • Kip, ik heb je. - Het was lastig, maar het is gelukt.
  • De kip met de gouden eieren slachten. - Iets wat goed rendeert voor de korte termijn verkopen.
  • Er is geen kip te zien. - Er is niemand te zien.
  • Zich kiplekker voelen. - Zich erg lekker voelen.
  • Hanengedrag. - Gedrag als van een macho.
  • Zijn haan koning laten kraaien. - De baas spelen.
  • Daar kraait geen haan naar. - Er is niemand die er iets om zal geven.
  • Haantje de voorste zijn. - Vaak vooraan staan.
  • Zij heb kip. -  Zij is zwanger.
  • De haan kraait koning als zijn hen er niet is. - De man is baas in huis als de vrouw even weg is.
  • Met de hennen op het rek en met de haan er weer af. -  's Avonds vroeg naar bed en er 's morgens er weer op tijd uit.
  • Hij heeft het zo druk als de kippen vóór Pasen. - Hij heeft het buitengewoon druk.
  • Als de vos de passie preekt, boer pas op je kippen. - Als een sluw persoon mooie praatjes verkoopt, voert hij wat in zijn schild.
  • Een kale kip kun je niet plukken. -  Van een arm persoon kan je geen geld krijgen.
  • Stresskip. -  Iemand die snel in de stress schiet.
  • Een kale kip kan nog leggen. -  Iemand die niets heeft kan nog voor je werken.
  • Er was geen kip. -  Er was niemand.
  • Geen kip meer kunnen zeggen. -  Zoveel hebben gegeten dat je niets meer kan eten. Volkomen verzadigd.
  • Het ei wil wijzer zijn dan de kip. - Kinderen willen wijzer zijn dan de ouders.
  • Kip zonder eieren. - Politieman.
  • Lopen als een kip die haar ei niet kwijt kan. - Onrustig heen en weer lopen.
  • Met de Kippen op stok gaan. - Vroeg naar bed gaan.
  • Redeneren als een kip zonder kop. - Erg dom redeneren.